laatste wijziging: 08-01-2020

659 1813 – 1883 Kierkegaard

Soren Kierkegaard is één van de grote eigenzinnige denkers van de 19e eeuw. Zijn (deels onder pseudoniem verschenen) werken bevatten heldere filosofische en psychologische analyses en psychologische uiteenzettingen, die op zeer persoonlijke wijze literair zijn vormgegeven.

Zijn (christelijk-)religieus uitgangspunt, dat op zijn eigen geloofsstrijd terug te voeren is, blijft altijd overheersend. Zijn analyse van de existentie van de mens is van fundamenteel belang gebleken voor de 20ste-eeuwse existentie filosofie.

Kierkegaard’s hoofdvraag is:

Hoe kom ik als existerend subject in een verhouding tot God?

Om dit te kunnen beantwoorden moeten eerst concrete bestaansvoorwaarden van het individu begrepen worden, d.w.z. “mijzelf in existentie begrijpen”. Maar precies deze vraag is door de filosofie van het Duits idealisme (vooral Hegel) volgens Kierkegaard uit het denken verbannen en dat heeft het type van de “abstracte – denker” gecreëerd, dat Kierkegaard scherp bekritiseert:

Omdat het abstracte denken onder het gezichtspunt van de eeuwigheid staat, ziet het af van het concrete, van het tijdelijke, van het worden van de existentie en van de nood van de existerende…’

Maar omdat de abstracte denker ook altijd een concreet bestaan heeft, wordt hij een “komisch figuur ”, als hij deze grondslag van zijn bestaan niet wil inzien : hijzelf en zijn denken worden tot een fantoom. Het is daarentegen van belang subjectief te worden, dat wil zeggen dat het kennen zich verhoudt tot de kennende , die wezenlijk een existerende is’, want ‘de enige werkelijkheid waarvan de existerende niet alleen maar op de hoogte is, is zijn eigen werkelijkheid dat hij er is; en deze werkelijkheid is zijn absoluut belang’.

Zodra de menselijke existentie in het centrum van de filosofie geraakt, wordt de vraag gesteld, wat is de mens? “De mens is een synthese van oneindigheid en eindigheid, van het tijdelijke en het eeuwige, van vrijheid en noodzakelijkheid, kortom, een synthese. Een synthese is een relatie tussen twee.” Daarmee is er echter nog geen zelf, want “het zelf is een verhouding, die zich tot zichzelf verhoudt, of het is die eigenschap die de verhouding heeft zich tot zichzelf te verhouden”.

De mens verwerft zijn zelf pas als hij zich bewust tot de synthese van zijn Zijn verhoudt.

Het zichzelf zijn is de mens dus niet eenvoudigweg gegeven, maar een taak, waarvan de verwerkelijking aan zijn vrijheid is opgedragen.

Het bevat ook de mogelijkheid dat de mens zich in een wanverhouding bevindt tot zijn synthese, en zelf onbewust of bewust verzuimt. Kierkegaard noemt dit vertwijfeling en hij beschrijft in “de ziekte tot de dood” de verschillende vormen van de weigering zichzelf te zijn.

Omdat de mens zichzelf echter niet als synthese heeft geschapen, maar door God is, is deze wanverhouding t.o.v. God; en dit is dan de definitie van de zonde: voor God niet zichzelf willen zijn.

Aan de hand van de verschillende stadia van de existentie (“OF-OF”) beschrijft Kierkegaard de weg van het individu naar het geloof, waarin de mens zich “op doorzichtige wijze in de macht fundeert die hem heeft geplaatst”.

In zijn werk geeft Kierkegaard weer ontologische prominentie aan het cartesiaanse individu, in plaats van aan de soort of het geheel, zoals Spinoza, Hegel en Marx deden, die het individu als min of meer irrelevant beschouwden.