laatste wijziging: 01-11-2017

691 1839 – 1914 Pierce

Charles Sanders Peirce was een Amerikaanse wetenschapper, filosoof en semioticus. Hij leverde diverse bijdragen aan de logica, filosofie en wiskunde.

Peirce wordt beschouwd als de stichter van het pragmatisme en de vader van de moderne semiotiek.

Peirce was een Amerikaanse wetenschapper die filosofie aanvankelijk als hobby beoefende, maar uiteindelijk verantwoordelijk werd voor een van de invloedrijkste stromingen in de filosofie van dit moment, het pragmatisme of, zoals hij zijn ideeën later herdoopte om ze te onderscheiden van die van James en anderen, het pragmaticisme.

Volgens Peirce luidt het basisprincipe van de “pragmaticistische” filosofie:

“als we alle denkbare experimentele fenomenen die het gevolg moeten zijn van de bevestiging of ontkenning van een concept nauwkeurig konden definiëren, zouden we een complete definitie van dat concept hebben”

Peirce laat hiermee zien vooral geïnteresseerd te zijn in het vaststellen van de betekenis van concepten en opvattingen, een denkwijze die de “linguïstische wending” in de 20ste eeuw zou domineren. Dit maxime dient als methode van de begripsverheldering, volgens welke de betekenisinhoud van een begrip bestaat in zijn denkbare gevolgen voor bet handelen. De verheldering, en eventueel de correctie, van begrippen vindt plaats door een experimentele confrontatie met de werkelijkheid. Ook de zin van geloofsovertuigingen kan worden verhelderd uit de gedragsgewoonten die eraan ten grondslag liggen. Het pragmatische maxime mag echter niet zo opgevat worden dat de betekenis volgt uit de beschrijving van de feitelijk optredende gevolgen. Veeleer volgt deze uit de voorstelling van de praktische consequenties zoals die in het gedachtenexperiment naar voren treden, er conceptueel in bevat zijn. De op deze wijze verworven kennis moet zich waar maken in een communicatief proces van diegenen die handelen en onderzoeken. Op deze wijze zal de waarheid zich vormen als de overeenstemming tussen alle leden van een “oneindige onderzoekersgemeenschap”.

“Die overtuiging die voorbestemd is om ten slotte de instemming van alle onderzoekers te verkrijgen is dat wat we onder waarheid verstaan, en het voorwerp dat in deze overtuiging gerepresenteerd wordt is het reële voorwerp.”

 

Voor de logica van de wetenschap is Peirce ’s ontdekking van de abductie (verklarende hypothese) als een derde wijze van gevolgtrekking naast deductie en inductie van belang. De abductie leidt van het resultaat en de regel naar het geval. Dit wordt bij elke wetenschappelijke hypothese-vorming feitelijk toegepast. In onderscheid tot deductie is de conclusie slechts waarschijnlijk (zoals bij de inductie), maar zij vergroot de kennis, omdat ze een nieuw idee in het denken naar voren brengt en daardoor nieuwe wetenschappelijke concepten mogelijk maakt.

Belangrijk voor de ontwikkeling van de semiotiek is Peirce ’s opvatting van de triadische (drievoudige) relatie van het teken. Een teken (representant) staat in relatie tot een gedachte die het interpreteert (interpretant) en is een teken voor een object door een kwaliteit die het met zijn object verbindt.

Deze triadische relatie kan niet tot een tweevoudige betrekking worden gereduceerd. Een teken wordt dus door de interpretatie mede bepaald en daarom is elke kennis van zijnden een samenspel van het gegevene (object) en de uitleg door een interpreterend bewustzijn.

 

Semiotiek

Peirce wordt beschouwd als de grondlegger van de moderne semiotiek (de wetenschap van tekens). De oorsprong van zijn semiotiek is terug te vinden in zijn logica. Het ontwikkelen van een logische taal was volgens Peirce niet iets wat op zichzelf zinvol was, want aan zo’n logische vertaling alleen heeft men niets. Zulke logische vertalingen dienen echter om iets mee te doen: een logische taal heeft als doel de verborgen premissen te onthullen en aan te tonen welke gevolgtrekking uit welke premisse mag volgen. Het was dit inzicht dat hij verbreedde tot alle tekens: elk teken is per definitie iets dat niet vastligt, maar moet ontwikkeld worden; het is gericht op dat wat eruit volgt. Elk teken vereist met andere woorden een interpretatie, die op haar beurt zelf bestaat uit een nieuwe reeks tekens.


Hieruit volgt enerzijds dat tekens op zich niet kunnen bestaan, maar dat ze enkel zinvol zijn binnen een heel netwerk van tekens. Weten wat een teken betekent, is ook het verschil kennen tussen dat teken en de andere tekens. Een ding in de wereld is dus niet voor eeuwig verbonden met een onveranderlijk teken, want dat teken hangt net af van de andere tekens, en omdat er altijd nieuwe tekens ontstaan of veranderen, verandert ook de betekenis van het oorspronkelijke teken dat zogenaamd met het ding in verband stond. De betekenis van het woord ’tafel’ is bijvoorbeeld in zekere mate veranderd nadat het algemeen werd aangenomen dat objecten, en dus ook tafels, uit atomen bestaan met lege ruimte ertussen. Een absolute en onveranderlijke definitie is dus onmogelijk.


Het verwijt dat dit leidt tot een cirkelredenering, doet Peirce af als onproblematisch. Tekens zijn hierdoor niet op de slechte manier circulair (viciously circular) zoals in het geval wanneer men een mens definieert als een ‘nakomeling van de mens’, waar dus de term zelf terugkomt. Er is een vorm van circulariteit, maar een onschuldige en noodzakelijke vorm zoals bij termen als ‘boven’ en ‘onder’, ‘links’ en rechts’, ‘warm’ en ‘koud’. De circulariteit is te verwachten omdat de tekens nu eenmaal met elkaar in verband staan.

Het teken

De semiotiek van Peirce is gericht op tekens die niet zozeer echt moeten bestaan, maar in principe denkbaar en mogelijk zijn. Al deze zaken, ook al bestaan ze misschien niet, neemt hij op in zijn semiotiek waarin hij een onderscheid maakt tussen drie zijnswijzen:

  1. Firstness: Deze zijnswijze heeft betrekking op zaken die niet verwijzen naar iets anders (zaken zoals de essentie of een op zichzelf staande eigenschap). Het bevat dat wat mogelijk is.
  2. Secondness: de zijnswijze dat alles bevat dat in verband staat met andere zaken. Zogenaamde Seconds staan altijd in verband met andere Seconds. Het heeft betrekking op dat wat bestaat: dat wat bestaat heeft altijd een zekere relatie tot dat rondom zich.
  3. Thirdness: de derde zijnswijze bevat dat wat algemeen geldig is, en slaat dus op regels en wetten die gelden voor Seconds.

Deze drie zijnswijzen of categorieën vat Peirce op als de essentie van de werkelijkheid. Op deze drie zal verder worden ingegaan bij de bespreking van Peirces metafysica, maar zij spelen al een rol in de semiotiek.

Kenmerkend voor een teken is dat ze allereerst waarneembaar moet zijn. Het gaat hier met name om het kunnen zien van de materiële manifestatie (de ’tekendrager’) van het teken, ook al begrijpt men het nog niet. Iemand die een teken ziet, maar het niet begrijpt, ziet nog steeds een teken. Ook zijn er verschillende tekendragers voor hetzelfde teken mogelijk. Een teken verwijst daarnaast ook altijd naar iets anders dan de tekendrager zelf, dat (vaak) afwezig is. Een lege stoel verwijst naar een persoon die afwezig is, maar een plaatsvervanger verwijst er evengoed naar. Naast een representatief element, bevat het teken ook een interpretatief element: de verwijzing die samengaat met een teken, roept meteen ook een hele reeks andere ideeën op bij de waarnemer. Zien dat een stoel leeg is, leidt bijvoorbeeld vaak tot ideeën waarom de persoon in kwestie afwezig is en of hij het vaker heeft gedaan. Op deze wijze verwijst het teken dus naar een nieuw teken (of nieuwe tekens) in het hoofd van de waarnemer. Omdat termen als interpretatie en representatie zowel naar de handeling als het resultaat kunnen verwijzen, en het hier vooral om het resultaat gaat, noemt Peirce zo’n resultaat ook wel interpretant’.

Deze opvatting van een teken heeft enkele gevolgen. Zo kan alles wat men ziet of tegenkomt opgevat worden als een teken en niet alleen dingen, maar ook handelingen, gebeurtenissen en zelfs dingen die afwezig zijn. Verder van belang is dat een teken ook nooit op zichzelf staat, maar altijd is ingebed in een Ground: een teken is maar een teken door toedoen van iets anders, en zo maakt het altijd deel uit van een netwerk van andere tekens zoals regels of gewoonten, of breder codes die zowel talige als niet-talige elementen kunnen bevatten. Ook doordat een interpretant altijd zelf een teken is dat kan zorgen voor een nieuwe interpretant, komt er dus een oneindige keten van tekens tot stand en is er dus geen vaste betekenis verbonden aan een object. Op deze wijze komt hij dicht in de buurt bij opvattingen van taal, zoals die voorkwamen bij Ferdinand de Saussure, Jacques Lacan of Jacques Derrida.

De opvatting van hoe kennis en ideeën tot stand komen verschilt hier dus van de klassieke (en door Peirce aan Descartes toegeschreven) tweetermige (dyadic) tegenstelling tussen enerzijds diegene die de kennis heeft (knower) en anderzijds het gekende object. Peirce stelt daartegenover een driehoeksverhouding van het teken: tussen enerzijds (1) een teken (de stoel), (2) het object waarheen de tekendrager verwijst, de ‘denotatum’ (de afwezige persoon) en (3) het resultaat van de interpretatie of interpretant (de idee dat hij ziek is). Belangrijk hierbij is ook dat hij (3) eveneens opvat als een teken, namelijk die in het hoofd van de interpreterende persoon.
Peirce beweert immers dat er geen gedachten (thoughts) zijn zonder tekens (signs). Anders gezegd: er is geen denken zonder de aanwezigheid van tekens (sign acitvity). Hij schrijft: 
From the proposition that every thought is a sign, it follows that every thought must address itself to some other, must determine some other, since that is the essence of a sign.”
Een interpretatie van een teken zorgt altijd voor een zekere reactie van hij die het teken interpreteert, en aldus in een nieuwe ’tekendrager’ voor een teken.

De verschillende tekens

Op basis van deze drie belangrijke kenmerken van het teken in combinatie met de drie mogelijke zijnswijzen maakt Peirce verdere onderscheiden tussen de verschillende vormen van tekens:

Categorieën Ground Denotatum Interpretant
Firstness Qualiteken Icoon Rhema
Secondness Semiteken Index Dicent
Thirdness Legiteken Symbool Argument

Allereerst bestaat er een drievoudige onderverdeling op basis van de Ground of tekendrager dat zich situeert op syntactisch niveau en zich dus op de relatie tot de andere tekens richt:

Deze soorten staan niet geheel los van elkaar. Zo veronderstelt een sinteken altijd een (reeks) eigenschap(pen) als grond, en dus een qualiteken. Ook impliceert elk legiteken bestaande dingen, sintekens of Seconds die ze verbinden met een algemene regel of Third.

Een tweede onderscheid is die op semantisch niveau en zich dus richt op de verhouding tussen tekendrager en het object waarheen het verwijst, het ‘denotatum’:

De derde en laatste benaderingswijze is die van de relatie tussen het teken en de interpretant, dat zich dan weer afspeelt op pragmatisch niveau en zich dus vooral concentreert op de relatie tussen teken en tekengebruiker:

Deze verschillende onderscheiden kunnen worden samengevat in de vorm van tien mogelijke tekens:

Teken Voorbeeld
(Rhematisch iconisch) qualiteken[15] De eigenschap ‘rood’
(Rhematisch) iconisch sinteken Een graancirkel
Rhematisch indexicaal sinteken Een spontane kreet
Dicent (indexicaal) sinteken Een windhaan
(Rhematisch) iconisch legiteken Een grafiek
Rhematisch indexicaal legiteken Een contextloos aanwijzend voornaamwoord
Dicent indexicaal legiteken Een verkeerslicht
Rhematisch symbool (legiteken) Een contextloos zelfstandig naamwoord.
Dicent Symbool (legiteken) Een gewone zin.
Argument (Symbool, legiteken) Een syllogisme, een gedicht, een boek

 Filosofie

 Kennistheorie en wetenschapsfilosofie

De kennistheorie en wetenschapsfilosofie van Peirce is nooit helder uiteengezet in een samenvattend werk, maar is daarentegen verspreid over een hele reeks artikelen en essays, die vooral een kritiek bevatten op andere auteurs zoals René Descartes. Peirce bekritiseert zo in Some Consequences of Four Incapacities (1868) de door Descartes verdedigde opvatting van waarheid en kennis als een product van de intuïtie: iets is volgens Descartes waar als het intuïtief helder en welonderscheiden, en daardoor onbetwijfelbaar, is. Het klassieke voorbeeld hiervan is de uitspraak “Ik denk, dus ik ben“.

Een allereerste element dat hij bekritiseert, is de zogeheten cartesiaanse twijfel, die instaat voor het opsporen van deze helder en welonderscheiden ideeën. Descartes stelde dat men als filosoof de vooronderstellingen en vooroordelen van zichzelf in vraag moet stellen en verwerpen als ze niet zeker zijn; wat overblijft, is met zekerheid echte kennis. Peirce stelt dat dit onmogelijk is omdat het net in de aard van vooronderstellingen ligt dat men zich er niet van bewust is dat men ze heeft. Wat Descartes voorstelt is een gebrekkige en kunstmatige twijfel, terwijl volgens Peirce enkel echte twijfel onze vooronderstellingen in vraag kunnen stellen.[16]

Ten tweede toont de geschiedenis van de filosofie volgens Peirce aan dat het individueel opsporen van zekere kennis, zoals bij Descartes, gedoemd is om te falen. Peirce haalt inspiratie voor zijn alternatief bij de wetenschappelijke methode: in plaats van bij zichzelf naar waarheid te zoeken en twijfel proberen uit te bannen, moet men dit via de hele gemeenschap (community) doen. Wanneer wetenschappers met een onzekerheid geconfronteerd worden, gaan zij samen op zoek naar het antwoord en zien hun pogingen pas als geslaagd als hun stelling algemeen geaccepteerd worden. Het is dus niet genoeg om zelf overtuigd te zijn van de juistheid van een theorie. Waarheid is volgens Peirce dan ook dit ideaal van de uiteindelijke consensus tussen wetenschappers.

Zijn eigen opvatting van kennis en wetenschap is voornamelijk uiteengezet in The Fixation of Belief (1878). Kort gezegd komt zijn opvatting erop neer dat de filosofie zich, qua methodologie, moet spiegelen aan de wetenschap, voornamelijk via de logica. Filosofen moeten er meer werk van maken om hun premissen helder te verwoorden en enkel te vertrekken van die stellingen waarover de gemeenschap het eens is. Ook moet de filosoof inzien dat het foundationalisme, de stelling dat men moet vertrekken van een zeker fundament, verkeerd is. Daartegenover plaats Peirce zijn fallibilisme: elke stelling, elke theorie is altijd onzeker en kan steeds opnieuw bevraagd en weerlegd worden.

Deze stellingen volgen uit zijn opvatting van een ‘overtuiging’ (belief). Volgens Peirce is het ‘overtuigd zijn van iets’ de meest natuurlijke houding van de mens. Hij schrijft: “while belief lasts, it is a strong habit and as such, forces a man to believe until surprise breaks up the habit. The breaking of a belief can only be done to some novel experience, whether external or internal.[17] Een overtuiging definieert Peirce als een bepaalde voorwaardelijke manier van handelen. Als persoon A overtuigd is van X, toont dit zich altijd in het feit dat hij, in confrontatie met een bepaalde situatie, op wijze Y zal handelen. De overtuiging dat water de dorst lest, toont zich in het feit dat wanneer men dorst heeft men dan zal drinken. Net als een teken voor Peirce altijd inhoudt dat als men de betekenis begrijpt, men er op reageert en een nieuwe interpretant creëert. Tegenover ‘overtuiging’ staat de twijfel en zoals al aangegeven, ontstaat twijfel pas bij de vernietiging van een oude overtuiging door toedoen van een nieuwe ervaring. Twijfel is dus een onnatuurlijke en ongemakkelijke houding, waar een mens het liefst meteen aan wil ontsnappen.

Deze strijd om aan de twijfel te ontsnappen en terug te keren tot een overtuiging, noemt Peirce ‘onderzoek’ (Inquiry). Het enige doel dat onderzoek dus heeft is het vermijden van twijfels en het terugkeren tot de rustgevende houding van een overtuiging. Onderzoek is dus niet in eerste plaats gericht op de waarheid, maar slechts op het creëren van overtuigingen, waarvan de persoon in kwestie natuurlijk altijd van denkt dat ze waar zijn. Op deze wijze komt er dus een sterk instrumentele interpretatie van de drang naar kennis naar voren. Er zijn door de geschiedenis heen, drie verschillende onderzoeksmethoden naar voren gebracht door de gewone man of door de filosoof, die alle drie volgens Peirce onbevredigd zijn:

  1. Method of Tenacity: men beroept zich op de traditie en de overtuigingen die de voorouders aannamen.
  2. Method of Authority: men beroept zich op een externe autoriteit zoals een heilig boek of een (religieuze) instelling.
  3. Method of ‘Agreeableness to Reason’: men beroept zich op overtuigingen die intuïtief aanvaardbaar en redelijk lijken.


Tegenover deze drie methoden, die Peirce alle drie ongeschikt vindt, plaatst hij zijn Method of Science. Deze methode gaat ervan uit dat er voor elke vraag één enkel antwoord bestaat, dat in alle omstandigheden en perioden geldt. Een wetenschapper laat zich dan ook leiden door dit idee en probeert dus in zijn werk dit ene antwoord te benaderen en niet, zoals slechte wetenschappers doen, steeds weer van idealen en methoden veranderen, als het hem of haar uitkomt. Met deze stelling overstijgt hij dus de zuiver instrumentele opvatting van wetenschap. Enerzijds stelt Peirce dus dat wetenschap ingebed is in de praktische relatie van mens en wereld, maar tegelijkertijd gaat wetenschap ook altijd verder en richt zich op dit ene ideaal. Binnen de wetenschap zelf verdwijnen de persoonlijke overtuigingen op de achtergrond en in de plaats komt de gerichtheid op deze ideale waarheid die men wil bereiken door het volgen van de wetten van de logica.

Betreffende deze wetten van de logica, en meer concreter zijn opvatting van ‘logisch afleiden’ maakt Peirce het onderscheid tussen drie soorten afleidingen:

Deductie
Regel: Alle knikkers uit deze zak zijn rood.
Geval: Dit is een knikker uit deze zak.
Resultaat: Deze knikker is rood.
Inductie
Geval: Deze knikkers komen uit deze zak.
Resultaat: Deze knikkers zijn rood.
Regel: Alle knikkers uit de zak zijn rood.
Abductie
Regel: Alle knikkers in deze zak zijn rood.
Resultaat: Deze knikkers zijn rood.
Geval: Deze knikkers komen uit deze zak.

In de 19e-eeuwse logica werd er geen onderscheid gemaakt tussen inductie en abductie. Volgens Peirce is dit onterecht omdat er wel degelijk een verschil bestaat. Dat dit onderscheid niet werd gemaakt, kwam volgens hem doordat men een foute opvatting van ‘afleiden’ had. Klassieke logici zagen ‘afleiden’ als een soort mentaal proces dat de persoon in kwestie doormaakt. Peirce vat ‘afleiden’ daarentegen op als de stelling dat men een huidige hypothese kan bevestigen door beroep te doen op eerder aangenomen premissen. Het draait hier dus niet om een soort analyse van hoe het menselijk brein werkt, maar simpelweg om de stelling dat men, als men een hypothese voordraagt, men hier ook redenen voor kan geven.

Het grote verschil tussen inductie en abductie bij Peirce is dat hij het eerste slechts ziet als een manier om kennis te testen, terwijl abductie net instaat voor het creëren van deze nieuwe kennis. “The former classifies, and the latter explains.[18] Abductie is dus de bron voor vooruitgang in de wetenschap. Dit wil wel niet zeggen dat men zich enkel moet richten op abductie, integendeel: ook deductie en inductie zijn noodzakelijk voor wetenschappelijk onderzoek. Deductie dient om alle mogelijke gevolgen uit een nieuwe hypothese af te leiden en inductie om te testen of deze gevolgen en de hypothese juist zijn.

Peirce vat de zintuiglijke waarneming ook op als een vorm van abductie of hypothesevorming, maar het gaat altijd om een onbewuste hypothese. Zintuiglijke waarneming is dus geen onbetwijfelbaar fundament, zoals bij Descartes en het foundationalisme, maar kan in principe steeds fout zijn. Dit is echter geen scepticisme: hoewel het altijd fout kan zijn, verschilt het van (wetenschappelijke) hypothesen in die zin dat men het niet in twijfel kan trekken. Zintuiglijke waarneming is dus een vorm van hypothese zonder de kritische dimensie die de wetenschap typeert. De mens is gewoon niet in staat zijn eigen waarneming steeds in vraag te stellen en gaat er in de praktijk van uit dat het onbetwijfelbaar is. Deze opvatting van kennis beschrijft Peirce als critical commonsensism of het fallibilisme.[19]

Pragmatisme en pragmaticisme

Peirce wordt algemeen beschouwd als de stichter van het pragmatisme. In tegenstelling tot latere pragmatisten zoals William James en John Dewey, vatte Peirce pragmatisme hoofdzakelijk op als methode voor de verduidelijking van ideeën, die het toepassen van de wetenschappelijke methode op filosofische kwesties mogelijk moest maken. Bij James en Dewey bevindt het pragmatisme zich meer op gebied van de kennistheorie, metafysica en waarheid.

William James zorgde ervoor dat het pragmatisme grote bekendheid kreeg, maar onder een andere vorm dan Peirce oorspronkelijk bedoelde.

Peirce heeft zijn pragmatisme (en wat hij later pragmaticisme zal noemen) uiteengezet in verscheidene versies van de zogenaamde pragmatic maxim. Deze maxime ontstond rond het jaar 1870 in the Metaphysical Club. Door velen, waaronder James worden een aantal artikels van Peirce, waaronder The Fixation of Belief (1877) en vooral How to Make Our Ideas Clear (1878), dan ook als de start van het pragmatisme beschouwd.[20]

Een klassieke en vaak aangehaalde definitie van deze eerder vernoemde pragmatic maxim, luidt als volgt:

“Consider what effects, which might conceivably have practical bearings, we conceive the object of our conception to have. Then our conception of these effects is the whole of our conception of the objects.

Wat Peirce met deze maxime bedoelt is een vuistregel om filosofische en metafysische concepten te verduidelijken en een onderscheid te maken tussen verschillende termen. Het is dus een methode om conceptuele verwarringen aan het licht te brengen die bijvoorbeeld ontstaan door het maken van louter formele en dus geen praktische tegenstellingen. De betekenis van deze regel kan het best geïllustreerd worden door het te contrasteren met de visie van George Berkeley. In 1871 publiceerde Peirce een recensie van een nieuwe uitgave van Berkeleys verzameld werk door ene Fraser.[22] Berkeley stelde dat een term betekenisvol is als er een idee, meer concreet een mentaal beeld, mee correspondeert. Als dit niet mogelijk is, is de term voor Berkeley betekenisloos. Op grond van dit principe bekritiseerde Berkeley bijvoorbeeld een reeks begrippen uit de Newtoniaanse natuurkunde. Peirce was het niet eens met dit principe, want als men het zou hebben aangenomen, betekent dit dat een hele reeks wetenschappelijke termen, zoals imaginaire getallen en infinitesimalen, moeten verworpen worden. In contrast hiermee stelde Peirce een eigen regel voor:


A better rule for avoiding the deceits of language is this: Do things fulfil the same purpose practically? Then let them be signified by the same word. Do they not? Then let them be distinguished. If I have learnt a formula in gibberish which in any way jogs my memory so as to enable me in each single case to act as though I had a general idea, what possible utility is there in distinguishing between such a gibberish formula and an Idea? Why use the term a general idea in such a sense as to separate things which, for al experiential purposes, are the same?[23]


Het verschil is dus dat Berkeley stelt dat een term betekenisvol is als er een in te beelden idee mee verbonden is, terwijl Peirce stelt dat een term betekenisvol is als en slechts als we de term kunnen gebruiken. De nadruk ligt dus op vragen als: Hoe gebruiken we deze formule? Welke handelingen moet men verrichten om de term te hebben begrepen? Dit is dus wat Peirce bedoelt met effects which might conceivably have practical bearings. Iemand vragen wat hij bedoelt met een woord of teken is dus niet vragen met welk mentaal beeld hij of zij het in zijn hoofd verbindt, maar met welke praktische gevolgen het heeft; wat men met die term in de praktijk kan doen.

Een voorbeeld dat Peirce gebruikt is dat van het chemisch element van ‘lithium‘. De betekenis van deze term legt men niet uit door een soort mentaal beeld op te roepen, maar door te verwijzen naar de plaatsen in de natuur waar men het kan tegenkomen of door de empirische eigenschappen er van aan te wijzen: het is glazig, doorschijnend, wit of grijs, kan gedeeltelijk worden opgelost in zoutzuur, … Dit voorbeeld toont al aan dat Peirce de inspiratie voor dit principe vond uit zijn scheikundige ervaringen als wetenschapper. Dit wil echter niet zeggen dat dit principe enkel opgaat voor wetenschappelijke termen, maar reikt ook veel verder. Met dit principe lijkt hij ook dicht bij het verificatiebeginsel van het logisch positivisme te komen dat stelt dat de betekenis van een term ligt in haar verificatiemethode. Net als het logisch postivisme gebruikt Peirce dit principe om de klassieke metafysica te bekritiseren: deze metafysische uitspraken hebben geen enkel praktisch gebruik of gevolg, maar verwijzen slechts naar elkaar. Een verschil met het logisch positivisme is dat Peirce wel geloofde dat er een soort ‘gezuiverde metafysica’ mogelijk was.[24] Ook moest iets niet rechtstreeks waarneembaar zijn om te bestaan, maar mocht het ook worden aangenomen op basis van indirecte empirische gevolgen.

Men mag deze pragmatische maxime trouwens niet los zien van zijn semiotiek: dit maxime stelt de mens in staat om de juiste interpretatie te vinden voor een object. Door het toepassen hiervan, kan men een heleboel mogelijke doorverwijzingen naar andere tekens (interpretants) schrappen, en bekomt men de logical interpretant, die hij als de belangrijkste van de soorten interpretants zag.[25]

Deze maxime is een leven op zichzelf gaan leiden en zorgde zo voor het ontstaan van het pragmatisme. Voornamelijk door toedoen van William James, kreeg het een wijde verspreiding, maar in een sterk afwijkende vorm. James was in de eerste plaats een psycholoog en had weinig kennis van wiskunde of logica, waardoor hij dit maxime wel heel praktisch opvatte: waar of reëel is dat wat werkbare praktische gevolgen heeft. Het pragmatisme werd zo de Amerikaanse vorm van de Europese levensfilosofie. Later, in 1905, gebruikt Peirce dan ook de nieuwe term pragmaticisme voor zijn filosofie om zich te distantiëren van dit ‘nieuwe’ pragmatisme van James, Schiller en Papini. Peirce zag bijvoorbeeld waarheid als onveranderlijk en een begrip als oneindigheid als iets werkelijk.

Universele categorieën

Hoewel zijn bovenstaande standpunten lijken te suggereren dat een metafysica onmogelijk is (want betekenisloos), is er in het werk van Peirce desondanks toch een metafysisch systeem terug te vinden. Peirce heeft zijn metafysica en kosmologie voornamelijk uiteengezet in de reeks artikelen die hij heeft geschreven voor The Monist tussen 1891 en 1893 en een nooit gepubliceerde tekst A Guess at the Riddle.

De uitspraken over de aard van de metafysica in het werk van Peirce zijn niet eenduidig en vaak contradictorisch. Enerzijds vindt men stellingen terug waarin hij de metafysica verbindt met noties als ‘observatie’, ‘ervaring’, ‘fenomeen’, enzovoort. Metafysica heeft volgens deze visie wel degelijk betrekking op een gedeelte van de werkelijkheid dat ervaren kan worden, maar deze ervaringen zijn zo algemeen aanvaard dat men er vaak gewoon overziet. Daartegenover staat een andere reeks uitspraken die de metafysica verbinden met de formele logica en abstracte principes die losstaan van de concrete ervaring. Een mogelijke uitleg voor deze tegenstelling is dat Peirce twee verschillende methodes onderscheidt om tot metafysische kennis te komen: enerzijds via een soort van fenomenologie en anderzijds via een logische denkprocedure.[26] Uit het feit dat metafysica altijd betrekking heeft op ofwel ervaringen waar iedereen al mee vertrouwd is, dan wel formeel logische principes, blijkt al dat de metafysica nooit in staat is nieuwe kennis aan te dragen, maar hoogstens kan dienen ter verduidelijking van dat wat we al weten.

De metafysica van Peirce kwam al terug in de drie zogenaamde zijnswijzen of universele categorieën van de werkelijkheid: Firstness, Secondness, Thirdness. Deze drie universele categorieën, geïnspireerd op de categorieën van Immanuel Kant, zijn volgens Peirce de drie categorieën die van toepassing zijn op heel de werkelijkheid. Peirce stelt zelf dat men deze categorieën analoog met het menselijk gedrag kan opvatten: een First kan men zien als een persoonlijk gevoel (quale), een Second als een eigen handeling en een Third als een uitspraak of gedachte. Een andere mogelijke analogie is de drie categorieën toe te passen op de ervaring: een ervaring gaat door als een First in de wijze waarop ze nu is en ervaren wordt, als Second in de mate waarop ze andere dingen in haar omgeving beïnvloedt (het gedrag bijvoorbeeld) en als Third in haar mogelijkheid om toekomstige nieuwe ervaringen te bepalen. Ook het verband met de verschillende soorten tekens is al eerder aangewezen (zie onder semiotiek).


De eerste categorie, Firstness beslaat die dingen die onafhankelijk bestaan op zichzelf en uniek zijn. Het is nauw verwant met de notie van qualia zoals de roodheid van een tomaat of de zuurheid van een citroen, maar verschilt er ook van. Een kleurenblinde die alles in het rood ziet zal de eigenschap van roodheid niet als eigenschap kunnen herkennen (vanwege gebrek aan contrast). Dit voorbeeld en een hele reeks gelijkaardige gevallen lijken in de alledaagse taal niet onder dezelfde noemer ‘qualia’ te vallen, maar vallen volgens Peirce wel onder Firstness. Een First staat dus altijd op zichzelf, los van andere kwaliteiten in haar op zichzelf staande ‘aanwezigheid’ (presentness). Verdere beschrijvingen van de eerste categorie zijn niet goed mogelijk: het gaat hier om de op zichzelf staande singulariteit of particulariteit van de dingen, maar anderzijds ook om de eindeloze variëteit en pluralisme in de natuur. Firstness wordt gezien als een soort grens van het verstand.

Op het eerste gezicht is het vreemd dat Peirce deze Firsts ook altijd ziet als iets dat niet bestaat, maar de ‘mogelijkheid tot bestaan’ bezit. De verklaring voor deze uitspraak staat in verband met de tweede categorie, Secondness: dat wat concreet bestaat in verband met iets anders. Iets dat actueel bestaat, bestaat altijd concreet in relatie met andere dingen rondom zich. Daarom kan een First nooit werkelijk als concreet bestaand worden opgevat – want dan zou het geen op zichzelf staand ding meer zijn – maar moet het altijd getypeerd worden als ‘mogelijk bestaand’. De concrete bestaande dingen, die altijd in relatie tot of in reactie op bestaan, zijn dus Seconds. Bestaan staat voor Peirce in nauw verband met reacties en weerstand: er zit dus altijd een dualiteit in elk bestaand ding tussen het ding zelf en de rest (vandaar Seconds). Hij schrijft:

Existence is that mode of being which lies in opposition to another. To say that a table exists is to say that it is hard, heavy, opaque, resonant, that is, produces immediate effects upon the senses, and also that it produces purely physical effects, attacts the earth (that is, is heavy), dyanamically reacts against other things (that is, has inertia), resists pressure (that is, is elastic), has a definite capacity for heat, etc. To say there is a phantom table by the side of it incapable of affecting any sense or of producing any physical effects whatever, is to speak of an imaginary table. A thing without oppositions ipso facto does not exist.[27]


Terwijl bij de eerste twee categorieën vooral de nadruk ligt op de pluraliteit van de werkelijkheid, staat de derde categorie, Thirdness, in voor een zekere vorm van samenhang. Thirdness heeft in de eerste plaats betrekking op algemeen geldende vaste patronen en wetten, zowel met betrekking tot het verleden als met betrekking tot toekomstige voorspellingen. Thirds worden gekenmerkt door een sterke mate van continuïteit. De opvatting van een natuurwet bij Peirce wijkt echter af van wat men normaal met het begrip associeert. Het ontdekken van een wet stelt Peirce gelijk met het ontwikkelen van een gewoonte (habit): vroegere ervaringen met een bepaalde situatie, dragen eraan bij dat in de toekomst een uniforme manier van handelen wordt vastgelegd. Zijn opvatting is dus sterk antropomorf, maar Peirce ziet daar geen probleem in omdat het volgens de mens er nu eenmaal op die manier mee in contact komt: er is geen alternatieve bevredigende opvatting.[28] Een wet is daarnaast ook altijd ‘onaf’ en onderhevig aan evolutie omdat een wet nu eenmaal door Peirce wordt opgevat als een nooit volledig bepaald teken (fallibilisme).

In de geschiedenis van de filosofie hebben vele metafysici verkeerdelijk slechts de nadruk op een of twee categorieën gelegd, maar niet op alle drie.[29] Iemand als Thomas Hobbes verdedigt een sterk materialisme en heeft zo enkel aandacht voor Secondness, terwijl iemand als George Berkeley dan weer enkel aandacht heeft voor Firstness en Thirdness. Moderne filosofen zoals Ernst Mach of Bertrand Russell, met hun nadruk op de atomaire basiselementen van de werkelijkheid, hebben dan weer enkel oog voor Firstness. Iemand als G.W.F. Hegel heeft dan weer enkel oog voor Thirdness doordat hij de nadruk legt op de wereldgeest die de werkelijkheid domineert. De enige filosofen die volgens Peirce adequaat rekening hebben gehouden met alle drie de categorieën waren Aristoteles en Immanuel Kant.

 Kosmologie

Tegen het einde van zijn leven liet Peirce zich ook in met kosmologische speculaties. In tegenstelling tot zijn werk in de semiotiek, de wetenschapsfilosofie en de metafysica wordt zijn kosmologische werk vaak met minachting bekeken. Zijn kosmologie wordt gezien als sterk achterhaald en niet verifieerbaar en dus als ‘zwart schaap’ in het denken van Peirce.[30]

Uit zijn beschouwingen over metafysica, en meer concreet zijn visie op natuurwetten die nooit ‘af’ zijn, volgt dat de werkelijkheid wordt opgevat als indeterministisch. De uniformiteit en constantheid van de werkelijkheid is geen noodzakelijk noch eeuwig gegeven. Dit leidde Peirce ertoe te suggereren dat er in het begin van het universum een totale ‘stand van chaos’ bestond, die Peirce vooral associeert met Firstness. Door willekeurige veranderingen kwamen er dan zekere vormen van regulariteit of gewoonten (habits) tot stand. Door een vorm van kosmologische natuurlijke selectie werden deze ordelijke ‘wetten’ bewaard en namen in aantal toe, wat er toe leidde dat er vandaag de dag in het universum een grote vorm van uniformiteit heerst. De tendens om aan wetten of regels te gehoorzamen (Thirdness) neemt dus toe, zowel op kosmologisch als op antropologisch niveau. Zo hebben atomen en moleculen de neiging om zich tot structuren met meer orde te binden, net als de mens tradities en gewoonten creëert in de maatschappij. Peirce zijn kosmologie bevat een vorm van panpsychisme: er bestaan naast het zuiver materiële (Secondness) nog andere bestaansvormen in de dingen in de wereld. De kosmologie van Peirce was in de eerste plaats een kritiek op de te mechanistische natuuropvatting bij de klassieke natuurkunde vanaf Isaac Newton.