laatste wijziging: 26-06-2019

725b Geschiedenis: Franse fenomenologie

Vanaf de jaren 30 waaide de fenomenologie over naar Frankrijk en heeft daar de ontwikkeling van de existentiële fenomenologie en het existentialisme essentieel beïnvloed, zoals duidelijk wordt in het werk van


Zo was Levinas een van de eerste die over Husserl schreef en de fenomenologie onder de aandacht bracht in Frankrijk.

Ricoeur had daarnaast tijdens de tweede wereldoorlog, toen hij gevangen zat, samen met zijn Duitse kampbewakers Husserls Ideen I in het Frans vertaald en van commentaar voorzien.

Merleau-Ponty had zich al in de jaren 30 verdiept in het werk van Husserl toen hij de Husserl-archieven bezocht.

TO DO: Een ander vroeg Frans fenomenoloog was Alexandre Koyré (1892–1964).

Ook kan er een verband gelegd worden naar het werk van Marcel Proust die duidelijke trekken van een fenomenologische beschrijving van de wereld bevat.

Jean-Paul Sartre vond zijn roeping van de filosofie door toedoen van Levinas’ Franse vertalingen en inleidingen op het denken van Husserl. In de jaren 30 ging hij naar Berlijn om daar de werken van Husserl en Heidegger te bestuderen, hoewel hij grote moeite had met het begrijpen van de Duitse teksten. Tijdens zijn krijgsgevangenschap verdiepte hij zich in de fenomenologie en schreef de postuum gepubliceerde Carnets de la drôle de guerre.

Een van de eerste gepubliceerde werken van Sartre over de fenomenologie is La Transcendance de l’Ego (1936), maar het komt pas volledig tot zijn uiting in zijn hoofdwerk L’être et le néant (1943). Bij Sartre staat de notie van bewustzijn weer geheel centraal en zijn er duidelijke invloeden van René Descartes, Hegel en Alain. Zijn manier van schrijven typeerde zich vooral doordat hij verschillende vormen van ervaringen op een literaire wijze beschreef om er zo meer inzicht in te krijgen. Dit deed hij met name ook door het schrijven van romans. Zo staat de grondervaring van de “walging” in La Nausée (1938) centraal. Sartre schreef dan ook op een veel minder technische en ontoegankelijke wijze dan Husserl en Heidegger. In zijn magnum opus Lêtre et le néant werkte hij een ‘negatieve fenomenologie’ uit: het menselijk bewustzijn, het Ik, is in de eerste plaats een ‘niets‘, iets onbepaald. Alle eventuele inhoud is iets ’transcendent’: het gedrag, karakter, beroep, enzovoort van het Ik vindt men immers als intentionele objecten buiten het bewustzijn. Deze fundamentele onbepaaldheid, en dus vrijheid, van de mens verbond Sartre dan met zijn politiek activisme en existentialisme.

Naast Sartre geldt Maurice Merleau-Ponty als de tweede grote vertegenwoordiger van de existentiële fenomenologie, een stroming waarin de fenomenologie en het existentialisme samenkomen.


Het werk van Paul Ricoeur, die in de jaren 50 Husserls Ideen I in het Frans vertaalde, kan worden beschouwd als een hermeneutische fenomenologie van de wil. Om te begrijpen wat dit inhoudt, moet men kijken naar Ricoeurs achtergrond: hij was overtuigd protestant en was vertrouwd met de theologische traditie. Zo was hij gefascineerd door het probleem van het kwaad, een probleem dat traditioneel verbonden wordt met de wil: het draait om de vraag hoe een mens in staat is het slechte te willen. De originaliteit van Ricoeur lag erin dat hij dit probleem benaderde vanuit de fenomenologische methode. Dit is dan ook het hoofdthema voor zijn boek Le volontaire et l’involontaire (1950) en Finitude et culpabilité (1960).

Husserl zelf vatte de wil op als een variant van het waarnemende bewustzijn. Bij de wil ging het niet om ‘waarnemen’, maar om ‘ wert-nehmen ‘ (waarden waarnemen). Ricoeur volgde echter de kritiek van Scheler, Merleau-Ponty en Gabriel Marcel (1889-1973) op deze ’te intellectualistische’ interpretatie van de wil. De wil is bijvoorbeeld altijd in sterke mate verbonden met het lichaam: als men iets wil eten, lijkt het in de eerste plaats te gaan over het lichaam dat iets wil. Ook is Ricoeur gefascineerd door het gegeven dat de mens niet actief kan beslissen over wat hij wil willen. In die zin is volgens Ricoeur het eerste willen altijd onvrijwillig. Dit eerste willen dat niet van het bewustzijn zelf komt, maar dat net van buiten het bewustzijn komt, zette hem ertoe aan zijn fenomenologie een sterke hermeneutische draai te geven. Dit eerste willen is immers niet iets dat zuiver voor het bewustzijn verschijnt; men kan zich er niet intentioneel op richten. In die zin is ook het bewustzijn, het menselijke zelf nooit één, maar altijd verdeeld en kan met het probleem van het kwaad slechts indirect op het spoor komen, via verhalen, symbolen en riten.


Een aparte positie in de traditie bekleedt Emmanuel Levinas, een leerling van Heidegger. Zoals al vermeld was het grotendeels door zijn werk dat Husserl en Heidegger ingang vonden in de Franse filosofie. Doch zelf bleef Levinas het merendeel van zijn carrière onbekend en brak pas laat door. In zijn vroege denken hield hij zich voornamelijk bezig met de ervaring van het “Il y a” (het “er is”). Dit “er is” kwam voornamelijk tot uiting in ervaringen zoals de slapeloosheid of de misselijkheid. Hierin verliest de persoon zijn persoonlijkheid, gaat hij op in “naamloze zijn” of het “er is”. De slapeloze ervaart een volledige leegte in zijn slapeloosheid: hij is op niets gericht en wil ook niets. Toch is er niet niets, want er is nog steeds een anoniem “geruis” op de achtergrond. Dit is het “er is”.

Pas bij het verschijnen van zijn magnum opus, Totalité et Infini (1961) brak Levinas door. Hierin verschoof zijn denken weg van de fenomenologische analyse. Men kan hem nog binnen de fenomenologische traditie plaatsen, maar de nadruk die hij vanaf 1961 steeds meer legde is die op dat wat voorbij de fenomenologie gaat, namelijk de alteriteit: men komt in het leven op verschillende plaatsen in contact met de Ander (ander persoon, andere visie) en deze Ander is grotendeels onherleidbaar en onreduceerbaar tot onszelf en het vertrouwde. Er blijft dus steeds een kloof tussen het Ik en de Ander. Hij werkte dit uit tot een kritiek op de hele westerse wijsbegeerte die voor hem totalitair was. Ook de vroegere fenomenologie was “totalitair” in de zin dat ze al hetgeen dat buiten het Dasein of het “Zelfde” viel, namelijk het Andere, wilde reduceren tot ditzelfde. De filosofie van Husserl en Heidegger, de hele Westerse traditie is een egologie, het Ik staat centraal.


Verder kan men ook denkers zoals Jacques Derrida (1930-2004) en eventueel Michel Foucault (1926-1984) onder de fenomenologie plaatsen, hoewel zij beiden sterk afweken van de vroegere fenomenologen. Derrida spendeerde al in 1953 enige tijd in het Husserl-archief te Leuven om het werk van Husserl te bestuderen. Zo centreren Derrida’s eerste werken zich rond het werk van Husserl: in 1953 schreef hij Le problème de la genèse dans la philosophie de Husserl, maar dit werk werd pas in 1990 gepubliceerd. In 1962 verscheen Derrida’s eerste belangrijke publicatie, namelijk een Franse vertaling van Husserls Der Ursprung der Geometrie, samen met een inleiding die twee keer zo lang was als de tekst zelf.[22] Het werk La voix et le phénomène (1967) draaide ook nog om Husserl, maar dan op een kritische manier. In dit werk kwam Derrida’s eigen denken al naar voren, namelijk wat later bekend werd als de “deconstructie“. Vervolgens verplaatste Derrida’s aandacht naar het werk van Heidegger, voornamelijk door diens sterkere existentiële toon. In zijn oeuvre, al vanaf De la grammatologie en L’écriture et la différence (beide eveneens verschenen in 1967), verschoof de aandacht naar noties zoals ’teken’, ‘différance‘ en ‘spoor’. Derrida concentreerde zich op het schrift, in tegenstelling tot de geschiedenis van de westerse filosofie die volgens hem altijd het gesproken woord centraal plaatste. Het is net het schrift en de ‘aanwezigheid van de afwezigheid van een vaste context of leefwereld’ bij het schrift die de overdracht van een boodschap mogelijk maakt, zowel tussen verschillende generaties, tussen talen als tussen taalgebieden (bijvoorbeeld bij de metafoor). Het schrift resulteert echter niet in een ‘zuivering’ van de boodschap, bijvoorbeeld door emoties uit de boodschap te bannen, maar resulteert volgens Derrida altijd in een nieuwe ‘besmetting’: de tekst wordt altijd gelezen vanuit een nieuwe context.