laatste wijziging: 06-07-2019

726d Fenomenologie : De wereld

Binnen de fenomenologie wordt, als men de reducties van Husserl volgt, de vraag naar het bestaan van de wereld tussen haakjes geplaatst. De fenomenoloog moet zich richten op het “wezen” van de dingen en niet met de vraag of de wereld ook echt bestaat of niet.

Toch kan de fenomenoloog niet ontsnappen aan het feit dat elke intentionele gerichtheid op een voorwerp altijd ingebed is in een bredere “horizon” waarbinnen dit object gelokaliseerd is. De tafel staat naast de stoelen, in het huis, in het dorp, enzovoort. Martin Heidegger viel Husserl hierin bij: een waarneming is altijd ingebed in een hele horizon waarin die waarneming is ingebed.


Zelf verdedigde Husserl in zijn werk een transcendentaal idealisme met betrekking tot het bestaan van de wereld. Dat wil zeggen dat betogen dat een bepaald object bestaat (bijvoorbeeld de maan), gelijk is met de stelling dat er een ervaring van of keten van ervaringen richting dit transcendent object moet mogelijk zijn die het bestaan ervan bevestigt. Het bestaan van objecten rondom het bewustzijn hangt dus af van het bewustzijn en de ervaring zelf: zonder het bewustzijn bestaan ze niet.

Een ander belangrijk begrip binnen de fenomenologie met betrekking tot de wereld, is de “leefwereld” (Duits: Lebenswelt). Met leefwereld wordt in de eerste plaats de wereld bedoeld waarin elke mens “leeft”. De leefwereld is dus de “achtergrond” of “horizon” waarin de mens altijd rondloopt en actief handelt. Iemands leefwereld bestaat uit de specifieke manier waarop men de wereld rondom zich ervaart en bestaat. Een mens ervaart zijn huis niet als een hoop bakstenen of zijn dorp niet als een neutrale verzameling woningen, maar verbindt deze steeds met bepaalde ideeën en symbolen. Volgens (de latere) Husserl is deze leefwereld de meest oorspronkelijke relatie die we tot de wereld hebben en gaat deze vooraf aan de wetenschappelijke interpretatie van de wereld, die er in feite parasitair op is.

Gelijkaardige stellingen zijn terug te vinden bij enerzijds Heidegger en Maurice Merleau-Ponty, die de mens typeerden als altijd al reeds in de wereld geworpen (Dasein ist in-der-Welt-sein), en anderzijds Jean-Paul Sartre en Hannah Arendt, die betoogden dat de mens in de eerste plaats zijn zelf verwezenlijkt in zijn interactie met de wereld waarnaar hij steeds uitstaat.