laatste wijziging: 31-10-2017

752 1900 – 0000 : Fasen

Er zijn 5 fasen te onderscheiden in de geschiedenis van de analytische filosofie.

De eerste fase, ongeveer van 1900 tot 1910, wordt gekenmerkt doordat in het bijzonder G.E. Moore en Bertrand Russell zich probeerden af te zetten tegen het destijds dominante ideeëngoed aan de Britse universiteiten: het Brits idealisme. Moore en Russell stelden daar zelf een vorm van “naïef” realisme tegenover, en concentreerden zich nadrukkelijk op het onderzoek naar de betekenis van filosofische termen en uitspraken. Bovendien geloofde Russell dat de natuurlijke taal vaak tot filosofische misverstanden leidt. Hij probeerde daarom uitspraken te herformuleren in een striktere, meer eenduidige taal, met name de logica. Deze herformulering moest het mogelijk maken om de filosofische problemen beter te begrijpen en op te lossen. Door zo’n probleem te vertalen in symbolische logica was het zelfs mogelijk dat het uiteindelijk geen filosofisch probleem bleek te zijn. Een verder kernfiguur in de analytische filosofie is de Duitse filosoof Gottlob Frege. Frege probeerde, net als Russell, de filosofie te verbinden met een sterke logica. Frege werkte vooral op gebied van de filosofie van de wiskunde, de logica en de taalfilosofie. Hij was daarnaast ook een voorstander van het logicisme, het geloof dat de wiskunde gefundeerd kon worden op de logica. Dit project zal echter uiteindelijk falen nadat Kurt Gödel in 1931 zijn beroemde onvolledigheidsstellingen zou publiceren. Russell zou verder bouwen op dit werk van Frege, en diens logica combineren met het empirisme van David Hume. Net als Frege probeerde hij, samen met A.N. Whitehead de wiskunde te funderen in hun Principia Mathematica, maar moesten deze ambitie ook opgeven.

Logisch atomisme: De tweede fase, van 1910 tot 1930, wordt gekenmerkt door de focus op het logisch atomisme en het construeren van een ideale taal. Zowel Moore als Russell wijzigden hun positie ten opzichte van het eerder genoemde realisme. Als alternatief ontwikkelde Russell samen met Ludwig Wittgenstein het logisch atomisme. Russell geloofde dat de wereld bestond uit een reeks “atomaire feiten”, en de waarheid van proposities afhing van de mate waarin deze zouden corresponderen met deze atomaire feiten. De taak van de filosofie bestond erin proposities te bestuderen en hun onderliggende logische structuur te ontdekken, en zo er dus achter komen welke proposities waar zijn en welke niet. Wittgenstein zou sterk op deze theorie verder bouwen in zijn Tractatus Logico-Philosophicus (1921), maar er tegelijkertijd ook op verschillende punten van afwijken. In dit werk stelt Wittgenstein zijn afbeeldingstheorie van de waarheid en de betekenis (picture theory of meaning) van zinnen voor. Zinnen moesten, om waar te zijn of om überhaupt iets te betekenen, corresponderen met de werkelijkheid, of anders gezegd moesten zij de wereld afbeelden of afspiegelen. Zinnen die dus niet met iets in de wereld overeenkwamen werden door Wittgenstein als zinloos beschouwd. Hij concludeerde dat ook de ethiek, de religie en de esthetica onder deze laatste categorie vallen, en dus dat er niets zinvol over hen gezegd kan worden. Dit wil niet zeggen dat Wittgenstein deze gebieden in zijn geheel verwierp, maar wel dat men er geen zinnige uitspraken over kan maken, en men er daarentegen dingen over moet tonen. Verder was het ook problematisch dat ook zijn eigen werk dan zinloos zou zijn, zo beeldt de Tractatus immers niet van de werkelijkheid af. Wittgenstein stelde dan ook zelf voor in zijn boek dat men dit werk moet zien als een ladder die men – eens opgeklommen – moet weggooien.

De derde fase, ongeveer van 1930 tot 1945, is de fase van het logisch positivisme van de Wiener Kreis, geleid door de filosoof Moritz Schlick en gepopulariseerd door A.J. Ayer. Deze cirkel bouwde sterk voort op het werk van Frege, Russell en Wittgenstein. Zeker de Tractatus van Wittgenstein had een sterke invloed op deze filosofen, en Wittgenstein werd dan ook vaak uitgenodigd om aan de discussies deel te nemen. Men kan de filosofie van de Wiener Kreis dan ook beschouwen als een verdere ontwikkeling van het werk van Wittgenstein. Zo betoogden deze logisch positivisten dat enkel empirisch verifieerbare uitspraken zinvol waren, en de rest verworpen moest worden. Schlick zal bijvoorbeeld stellen dat de betekenis van een propositie ligt in haar verificatie. Uitspraken over God, ethiek en metafysica werden als onzin verworpen. Hiermee verschilden ze al op een belangrijk punt van Wittgenstein: terwijl Wittgenstein de ethiek en religie een belangrijke plaats geeft, worden deze helemaal weggecijferd in het logisch positivisme. Zo hielden ze bijvoorbeeld de positie van het emotivisme aan op vlak van ethiek: een ethische uitspraak was niet meer dan een uitdrukking van een gevoel. Men kan dit logisch positivisme begrijpen als reactie tegen het typisch Duits idealisme en de Duitse romantiek. Ook het opkomende naziregime en antisemitisme speelde een belangrijke rol in hun ontwikkelen. De logisch positivisten wilden aantonen dat de mythische en metafysische standpunten van waaruit het antisemitisme en het nazisme gelegitimeerd werden op niets gefundeerd en onzinnig waren. Andere leden van deze cirkel waren Rudolf Carnap, Herbert Feigl, Carl Hempel en Otto Neurath. Ook Kurt Gödel was sterk verbonden met deze groepering. Deze laatste personen vluchtten allemaal uiteindelijk naar de Verenigde Staten, alleen Neurath zou via Nederland in Groot-Brittannië terechtkomen. Mede hierdoor won de analytische filosofie het in Amerika van andere filosofische stromingen zoals het klassieke pragmatisme. Schlick werd echter uiteindelijk in 1936 vermoord en de steeds hoger oplopende druk door het nazisme leidde er uiteindelijk toe dat de cirkel uiteenviel, waarbij vele leden naar het buitenland vluchtten.

De vierde fase, 1945 tot 1965, is die van de analyse van de gewone taal, bekend onder de naam  Ordinary  language philosophy. De ambitieuze projecten van het logisch positivisme, Russell en anderen om een ideale taal te construeren gebaseerd op logica werden opgegeven. Zeer in het bijzonder zijn hier de bijdragen te noemen van John Wisdom en Ludwig Wittgenstein, toen die werkten aan de Universiteit van Cambridge, en van Gilbert Ryle, John Austin en Peter Strawson van de Universiteit van Oxford. Het werk van de latere Wittgenstein moet immers worden onderscheiden van zijn vroegere werk, waarvan hij vele onderdelen verwierp. Zo stelde hij niet meer dat de betekenis van een woord afhing van de relatie met een atomair feit, maar daarentegen dat zijn de betekenis lag in het gebruik van die term in de alledaagse taal. Hij beschreef de taal en haar gebruik aan de hand van taalspelen: er zijn verscheidene soorten taalgebruik naast elkaar, afhangend van de context, zoals er ook verscheidene spelen zijn. De betekenis komt dus voort uit haar gebruik binnen zo’n specifiek taalspel. Men moet dan ook niet meer op zoek gaan naar een vaste betekenis van een woord, maar overeenkomsten van woorden opvatten als “familiegelijkenissen”. Zoals leden van een familie wel bepaalde gelijke eigenschappen hebben, zoals haarkleur, oogkleur, lengte, gezichtsbouw, maar ze tegelijkertijd niet allemaal dezelfde ogen en haarkleur hebben. Zo ook hebben woorden hun gelijkenissen, maar delen ze niet alle gelijkenissen met elkaar. Dit soort filosofie zou eindelijk van het filosofisch toneel verdwijnen. Kritiek erop vond men onder andere in het werk van Ernest Gellner[5] , vooral in zijn boek Words and Things (1959), maar ook Bertrand Russell zou blijven kritiek hebben op deze benadering, en vond de gewone taal niet genoeg om een filosofie op te bouwen.

De vijfde fase, vanaf de jaren 60 van de vorige eeuw, wordt gekenmerkt door een postlinguïstiek pluralisme . De taal staat niet langer centraal en allerhande sub disciplines van de analytische filosofie gaan verder dan taalfilosofie of de hieruit afgeleide metafysica. De vijfde fase is niet te kenmerken door een gemeenschappelijke filosofische visie of interesse. Wat wel blijft bestaan in de analytische filosofie van vandaag is een bepaalde stijl met nadruk op precisie en grondigheid in de analyse van een afgebakend onderwerp en een afkeer van vage discussie over de ‘Grote Verhalen’: Kenmerken die wel op te merken zijn, zijn de heropleving van zekere filosofische vakdiscipilines die al van bij het begin van de analytische traditie uit beeld waren verdwenen. Zo kwamen de metafysica en de antieke filosofie weer in beeld. Hoewel analytische filosofen zich nog steeds niet wagen aan het opstellen van hele metafysische systemen, zijn er toch bepaalde onderwerpen in de metafysica terug populair in de analytische filosofie. De filosoof Peter Strawson speelde hier een rol in, onder andere doordat hij de term descriptieve metafysica introduceerde: de metafysicus had de taak de ontologische structuren zoals ze zich aan ons tonen te beschrijven. Ook het werk van W.V.O. Quine heeft dit mee in de hand gewerkt. Zo zette hij in zijn essay Two Dogmas of Empiricism (1951) een kritiek uiteen op het klassieke project van het logisch positivisme en stelde dat eender welke theorie niet zuiver kan gereduceerd worden tot observatie. Andere figuren die hiertoe hebben bijgedragen zijn Donald Davidson en David K. Lewis. Een ander hedendaags element is dat bepaalde filosofen zoals Richard Rorty en Robert Brandom hebben opgeroepen om meer toenadering te zoeken tot de continentale filosofie. Ook stellen ze bepaalde aspecten van de analytische filosofie zelf in vraag, niet zozeer de methode, maar eerder de projecten en doelen die analytische filosofen zichzelf vooropstellen. Iemand als Rorty verwerpt bijvoorbeeld in zijn boek Philosophy and the Mirror of Nature (1980) de eeuwenoude zoektocht naar een fundament voor ware en zekere kennis als een verkeerde zoektocht.

Aan het begin van de 21e eeuw ontstond ook de nieuwe ‘stroming’ van de experimentele filosofie  met onder anderen Joshua Knobe en Shaun Nichols. Deze filosofen bekritiseren de traditionele analytische filosofie in die zin dat ze te nonchalant zou vertrekken van filosofische intuïties die zogenaamd algemeen gedeeld worden. Experimentele filosofen willen die claims net testen en doen experimenten, onder anderen via het voorleggen van gedachte-experimenten zoals het Gettier-probleem aan niet-filosofen, en kijken of deze intuïties inderdaad algemeen gedeeld worden. Sommige experimenten doen dan ook twijfels rijzen rond zulke intuïties omdat deze, althans volgens sommige van de verrichte experimenten, kunnen variëren naargelang de context, de cultuur[10] en zelfs het geslacht.[11] Er is tevens al veel kritiek gekomen op de experimentele filosofe, onder anderen door Timothy Williamson. Breder heeft de opkomst van de experimentele filosofie meer aandacht gevraagd voor een metafilosofie rond argumentatie en intuïtie.

De TAAL is het voertuig van de GEEST


Taalfilosofie
of filosofie van de taal betreft het filosofisch onderzoek naar de aard en gebruik van de taal in haar relatie tot de werkelijkheid en heeft daardoor raakpunten met de linguïstiek, alhoewel haar onderzoek toch eerder conceptueel dan empirisch is. Hierbij worden natuurlijke talen of formele talen (zoals logica) kritisch en filosofisch bestudeerd en bevraagd. Meestal worden deze in samenhang met de werkelijkheid en het denken van de taalgebruiker beschouwd. De taalfilosofie staat vooral centraal in de analytische filosofie, en wordt daar in vier kernproblemen opgedeeld:


  1. Aard van betekenis
    :
    wat betekent het om iets te “betekenen”. Het gaat hier bijvoorbeeld om wat het betekent synoniemen te zijn, de oorsprong van betekenis en hoe men de betekenis van een woord überhaupt kan kennen. Een ander belangrijke vraag is hoe en op welke wijze zinnen zijn samengesteld uit kleinere gehelen, en hoe deze samenstelling kan leiden tot een betekenisvol geheel.

  2. Taalgebruik
    :
    men wil begrijpen hoe zenders en ontvangers gebruikmaken van taal in onderlinge communicatie, en dus hoe taal sociaal gebruikt wordt. Meer specifieke vragen gaan over hoe men een taal kan aanleren en creëren. Ook naar de aard van een taalhandeling wordt hier onderzoek verricht.

  3. Cognitie van taal
    :
    ook willen taalfilosofen begrijpen wat de exacte relatie tussen taal en geest is, en hoe men hierbij dus een gedachte of idee overbrengt van een persoon naar een ander persoon. Specifieker stelt men zich hier ook de vraag hoe een woord “vertaald” kan worden in een andere taal of in andere woorden.

  4. Relatie tussen taal en de werkelijkheid
    :
    een laatste belangrijke vraag is de relatie tussen enerzijds taal en betekenis, en anderzijds waarheid en de wereld. Het gaat hier niet zozeer om de vraag welke uitspraken waar zijn of niet, maar om de vraag welke soort van betekenissen al dan niet waar of fout kan zijn. Men stelt bijvoorbeeld de vraag of een betekenisloze zin een waarheidswaarde heeft of niet, of de vraag of uitspraken proposities kunnen uitdrukken over dingen die niet bestaan.