laatste wijziging: 01-11-2017

776 1902 – 1970 Popper

Karl Raimund Popper was een Oostenrijks-Britse wetenschapsfilosoof. Daarnaast was hij een belangrijk sociaal en politiek filosoof, een onversaagd verdediger van de liberale democratie en de principes van sociale kritiek waar deze op is gebaseerd, en een onwrikbaar tegenstander van autoritarisme. Hij is het bekendst geworden door zijn weerlegging van het klassieke model van wetenschap als een proces van observatie en inductie, zijn pleidooi voor falsifieerbaarheid als criterium om wetenschap van non-wetenschap te scheiden en zijn verdediging van de ‘open samenleving’.


Popper’s wetenschappelijke methode van de falsificatie leidde tot een geheel nieuw onderzoeksgebied in de wetenschapsfilosofie en hij claimde zelfs het “probleem van inductie” van Hume te hebben opgelost.


Volgens Popper is theorie alleen wetenschappelijk als die in principe falsifieerbaar is. Hoe meer voorspellingen een theorie doet, hoe beter. De falsifieerbaarheid is een deel van Popper’s antwoord op wat hij “de mythe van inductie” noemt. Inductie zoals gedefinieerd door Hume is de methode om theorieën, wetten of generaliseringen op te stellen door naar regelmatigheden in de ervaring te kijken. Popper is het met Hume eens dat alle generalisaties verder gaan dan het mogelijke bewijs ervoor. Hoeveel gevallen we ook hebben van een A met eigenschap B, de conclusie dat alle A’s eigenschap B hebben is niet gerechtvaardigd.


Popper lost dit probleem op door te stellen dat het een misverstand is om wetenschappelijke generalisaties als conclusies te zien; bovendien is het een verkeerd beeld van de manier waarop wetenschappers hypothesen opstellen. Generalisaties zijn geen conclusies die uit bewijzen zijn getrokken, maar hebben volgens Popper de logische status van vermoedens. Het zijn voorlopige hypothesen die als het ware terechtstaan “voor de rechtbank van ervaring”. Het probleem van inductie verdwijnt omdat generalisaties niet gesteund of gerechtvaardigd worden door observatie. Integendeel zelfs, de generalisaties komen logisch eerst en worden vervolgens verworpen door de ervaring (als er een A wordt gevonden zonder eigenschap B) of ze overleven voorlopig in afwachting van meer observaties van A’s. De ervaring kan nooit een theorie als waar verifiëren, alleen falsifiëren.


Generalisaties worden eerst vermoedens en dan tegen de ervaring gecontroleerd om te kijken of ze verworpen kunnen worden. Critici stellen dat de theorie van Popper zelf impliciet gebruik maakt van inductief redeneren. In de ogen van Popper is een gebeurtenis die in strijd is met de hypothese voldoende voor falsificatie. Maar dat veronderstelt dat inductie betrouwbaar is, want een theorie die nu gefalsifieerd wordt, zou in de toekomst waar kunnen blijken te zijn. Natuurlijk heeft Popper gelijk als hij stelt dat algemene generalisaties als “alle A’s zijn B” fout zijn als er een A wordt gevonden die niet B is, maar hij past zijn falsificatieprincipe toe op wetenschappelijke theorieën als geheel, niet alleen als universele uitspraken. Een gebeurtenis die “alle A’s zijn B” falsifieert bevestigt de theorie “sommige A’s zijn B”. De logica van falsificatie en verificatie kunnen niet gescheiden worden zoals Popper meende.

Popper’s opvatting dat de wetenschap theorieën genereert die falsifieerbaar zijn, is nauw verbonden met zijn aanval op de dialectiek van Marx en Hegel. Dergelijke “theorieën” lijken immuun voor empirische falsificatie omdat elke ervaring verklaard kan worden met een passende interpretatie van de doctrine. Vooral de claim dat het marxisme een `wetenschap’ is, maakt Popper boos. Hij oordeelt al even vernietigend over Plato en Freud als vijanden van de ‘open samenleving. Popper is van cruciaal belang geweest om de wetenschapsfilosofie op een hoger niveau te tillen en had grote invloed op Lakatos, Kuhn en Feyerabend.

Sinds de jaren zestig publiceerde Popper verdere ideeën over menselijke kennis in het algemeen, en van wetenschappelijke kennis in het bijzonder. In zijn boek Objective Knowledge (1972) presenteert Popper zijn uitgangspunt van de drie ‘werelden’: de wereld van fysische objecten; de mentale wereld van bewustzijnstoestanden; en de wereld van ideeën in objectieve zin. Elk van die werelden bevat allerlei objecten of zijnden. Deze werelden bestaan alle drie even echt, zijn altijd van elkaar te scheiden, en moeten dus ook niet door elkaar gehaald worden:

Deze ‘derde wereld’ is door de mens geschapen, maar tegelijkertijd vrijwel onafhankelijk van de mens. Tot deze derde wereld behoort bijvoorbeeld de taal en de wiskunde, maar daarnaast ook wetenschappelijke theorieën. De relativiteitstheorie van Einstein is een voorbeeld van zo’n theorie: het is mogelijk min of meer objectief te omschrijven wat deze theorie inhoudt, en de inhoud van deze theorie staat los van de bewustzijnstoestanden van de persoon Einstein. Popper spreekt in dit verband van de ‘objectieve geest’, als tegengesteld aan de ‘subjectieve geest’: de ‘subjectieve geest’ is die van de bewustzijnstoestanden van het individu, de ‘objectieve geest’ omvat kennis die onafhankelijk van het individu bestaat.[3]

Kritiek op Poppers werk

Popper heeft ook een aanzienlijk aantal critici. Aan de ene kant zijn daar degenen die de claims van het historicisme of het holisme als intellectueel respectabele theorieën erkend willen zien, of die van het marxisme of de psychoanalyse als wetenschappelijke theorieën. Aan de andere kant zijn er ook die de principes of details van zijn wetenschapsfilosofie aanvallen, zoals Thomas Kuhn. Echter weinigen ontkennen zijn grote invloed en belang als ‘een van de meest vooraanstaande critici van het autoritarianisme van de twintigste eeuw, en ook wellicht als de belangrijkste wetenschapsfilosoof in een eeuw met een nog niet eerder vertoonde vooruitgang van de wetenschap’.

Begin 21e eeuw ontdekte Michel Ter Hark dat Popper een gedeelte van zijn ideeën niet van zichzelf had, maar van zijn leermeester, de Duitse jood Otto Selz. Deze laatste heeft ze echter nooit gepubliceerd, deels doordat hij in 1933 van de nazi’s zijn werk moest staken, en door een verbod op verwijzingen naar Selz’ werk in die tijd. Ter Hark schreef hierover het boek Popper, Otto Selz and the rise of evolutionary epistemology, en een artikel verscheen in het NRC Handelsblad.

Hij meende ook dat wetenschappelijke theorieën, en in het algemeen alle menselijke kennis, onvermijdelijk uitsluitend hypothetisch zijn en worden gegenereerd door de creatieve verbeelding om problemen op te lossen die in een bepaalde historisch-culturele context zijn gerezen. Geen enkel aantal positieve waarnemingen om een theorie te testen, kan deze logisch gezien bewijzen; slechts een enkel tegenvoorbeeld waarvoor de theorie niet opgaat, is logisch beslissend: het toont aan dat de theorie waarvan de implicatie wordt getoetst niet juist is. Poppers weergave van deze logische asymmetrie tussen verificatie en falsificatie is een van de kernpunten van de wetenschapsfilosofie. Het bewoog hem ertoe om falsificeerbaarheid te kiezen als criterium voor het onderscheiden van wetenschap en non-wetenschap: een theorie kan uitsluitend wetenschappelijk zijn als hij ook falsificeerbaar is. Dit bewoog hem ertoe om zowel de aanspraak van het marxisme als die van de psychoanalyse op een wetenschappelijke status af te wijzen, omdat de theorieën waar deze beide stromingen op gebaseerd zijn niet falsificeerbaar zijn.

 

De armoede van het historicisme

In zijn werk The Poverty of Historicism (De armoede van het historicisme) ontwikkelde Popper een krachtige kritiek op het historicisme. Historicisme is de theorie dat de geschiedenis zich onwrikbaar en onvermijdelijk ontwikkelt naar een bepaalde eindsituatie en wel volgens vaste wetten, die kunnen worden ontdekt. Popper beschouwde deze opvatting als de belangrijkste theoretische onderbouwing onder de meeste vormen van autoritarisme en totalitarisme. Hij viel deze dus aan, erop wijzend dat deze zijn gebaseerd op onjuiste aannames over de aard van natuurwetten en voorspellingen. Omdat de toename van de menselijke kennis een oorzakelijke factor in de ontwikkeling van de menselijke geschiedenis is, en omdat geen enkele maatschappij wetenschappelijk de toekomstige toestand van zijn kennis kan voorspellen, is het daarom dus volgens Popper niet mogelijk om een voorspellende wetenschap van de menselijke geschiedenis op te stellen. Voor Popper zijn metafysisch en historisch indeterminisme onlosmakelijk met elkaar verbonden.

De open samenleving en haar vijanden

In The Open Society and Its Enemies (De open samenleving en haar vijanden) hield Popper een vurig betoog ter verdediging van de open samenleving, de liberale democratie.

Karl Popper schreef The Open Society and Its Enemies onder invloed van de gebeurtenissen in de beginjaren van de Tweede Wereldoorlog,[1] toen het er een tijd lang naar uitzag dat nazi-Duitsland de oorlog zou winnen. Popper schreef een deel van de Open Society in Nieuw-Zeeland, ver weg van het Wenen waar hij was opgegroeid. In de Open society zocht hij naar het waarom van de sympathie van veel intellectuelen voor allerhande totalitaire vormen van politiek, en naar de historische wortels van hun twijfel aan de haalbaarheid van een duurzame democratie. Deel I van zijn boek gaat voornamelijk over de filosofie van Plato, deel II over de filosofie van Hegel en Marx.