laatste wijziging: 23-08-2025
H4 Filosofische onderzoekingen
Bladzijde 87 tot en met 128
Filosofische Onderzoekingen
- 4-1 87 Het voorwoord
- 4-2 88 Tegen de essentie
- 4-3 99 Betekenis is gebruik
- 4-4 De grammatica van gewaarworden, voelen en denken
- 4-4-1 Denken
- 4-4-2 Hebben
- 4-4-3 Twijfelen
- TO DO : Over zekerheid
- 4-6 Zien
- 4-7 Filosofie = afleren
.
4-1 87 Het voorwoord
- 87 De Filosofische Onderzoekingen zijn in vorm een veel minder geordend en systematisch werk.
- 87 Wittgenstein zou zelf
- de Filosofische Onderzoekingen en de Tractatus graag in 1 boek hebben uitgegeven,
- omdat de gedachten die hij ontwikkelt in de Filosofische Onderzoekingen
- pas tegen de achtergrond van de Tractatus in het juiste licht zou komen te staan
- omdat de gedachten die hij ontwikkelt in de Filosofische Onderzoekingen
- de Filosofische Onderzoekingen en de Tractatus graag in 1 boek hebben uitgegeven,
- 87 Dit is volgens Keizer geen falen, maar een kenmerk van dit werk waarin Wittgenstein het eindeloze landschap van ons taalgebruik in vele richtingen doorkruist.
- 87 Wittgenstein beschrijft allerlei verschillende thema’s zonder vooropgezet plan of strakke structuur.
- 87 Hoewel de opmerkingen genummerd zijn, is er ditmaal geen interne structuur in deze nummers.
De Filosofische Onderzoekingen en de Tractatus zijn een geheel, en kunnen alleen samen begrepen worden.
.
4-2 88 Tegen de essentie
- 88 De stijl van de Filosofische Onderzoekingen is die van een zoektocht,
- een gesprek:
- Wittgenstein converseert als het ware met een filosofisch naïeve voorbijganger over allerlei alledaagse beweringen.
- 88 Wittgenstein vergeleek zijn methode met die van Freud: waar deze van neurotische ellende echte ellende maakte, laat Wittgenstein zien dat er onder vermomde onzin echte onzin zit.
- een gesprek:
de taal vermomt de gedachten
- 89 Hij wil ons bepaalde neigingen laten zien, die afgeleerd moeten worden.
- 89 De eerste neiging is die van het generaliseren, de minachting voor het individuele geval.
- 89 Een vorm van generaliseren
- is het zoeken naar een eenduidig antwoord op ‘wat is x?’
- 89 Hierin zien we meteen een punt van kritiek op de Tractatus:
- dat was een antwoord op de vraag ‘wat is taal‘ met als antwoord ‘bewering’.
- 89 Maar we gebruiken taal voor veel meer dan dat.
Ieder woord heeft een betekenis
De bank is op de bank
https://janux.nl/wp/wittgenstein/deel-1/#_Toc204611298
- 90 Probleem is dat hoewel er verschillende soorten woorden zijn, ze er hetzelfde uitzien, ze worden vervaardigd van dezelfde letters.
- 91 Het is dus onzinnig om de functie van woorden te negeren en alles beschrijvend te noemen.
- 92 Toch blijft er de neiging om een gemene deler te vinden van alle woorden, de essentie.
- 92 Dit blijkt onmogelijk voor elk begrip,
- omdat er voor elke eigenschap,
- elke essentie,
- een voorbeeld genoemd kan worden dat deze eigenschap nou net niet heeft.
- 92 Plato had als oplossing dat de essentie van een begrip niet in deze wereld [[10]] gevonden kan worden, maar juist daarbuiten in de geestelijke wereld van de begrippen
- Elk object heeft deel aan het perfecte begrip dat erbij hoort.
Meno: op zoek naar de definitie van deugdzaamheid
- Dit Platonisme is volgens Keizer aanwezig in ons alter omdat we verlangen naar altijddurende zekerheid.
- 96 De wereld is de plek van vergankelijke en imperfecte, en we streven naar perfectie.
- 96 Daarbij hoort het idee van de filosoof als degene die kennis van het eeuwige, en van de filosofie zoektocht naar deze eeuwige kennis
- 97 In de Tractatus is Wittgenstein nog een Platonist maar vanaf de Filosofische Onderzoekingen zien we een tegengestelde beweging.
- 97 Wittgenstein is dan niet meer op zoek naar de essentie van taaluiting,
- maar naar de veelheid van wat mensen doen met taal.
- 97 In de Filosofische Onderzoekingen gaat Wittgenstein in discussie met een niet-filosoof.
- Wittgenstein, als leider van het gesprek,
- heeft zijn partner langs allerlei vormen van taalgebruik geleid,
- wat hij taalspellen noemt
- heeft zijn partner langs allerlei vormen van taalgebruik geleid,
- Bij opmerking 65 wil zijn gesprekspartner weten wat het doel daarvan nu eigenlijk is
- In principe komt Wittgensteins antwoord neer het precieze verschil tussen de Tractatus en de Filosofische Onderzoekingen:
- taalspellen hebben niet slechts een gemeen,
- het gaat hem juist om uit te zoeken
- waarom uitdrukkingen waaronder verscheidenheid aan dingen vallen,
- ‘enkel’ overeenkomsten tussen diverse subgroepen,
- toch één verzamelnaam hebben.
- ‘enkel’ overeenkomsten tussen diverse subgroepen,
- taalspellen hebben niet slechts een gemeen,
- Juist door het onderzoeken van de verscheidenheid denkt Wittgenstein hier achter te komen.
- De strategie van Wittgenstein is om rafels te ontdekken aan het dagelijks gebruik van concepten en ideeën.
- Hoe nauwkeurig we ook deze begrippen voor ogen te hebben:
- we moeten ons realiseren dat we ze altijd in een bepaalde context gebruiken.
- Er is geen andere manier van gebruiken.
- 99 Ook voor taal geldt dit:
- we kunnen geen definitie van taal geven
- omdat taal net zo uitgebreid en gecompliceerd is als het leven.
- 99 Ook voor taal geldt dit:
- Er is geen andere manier van gebruiken.
- we moeten ons realiseren dat we ze altijd in een bepaalde context gebruiken.
.
4-3 99 Betekenis is gebruik
- 100 Volgens Augustinus wordt de betekenis van een gedachte overgedragen door het in geluid in te pakken, en via de mond, de lucht en de oren over te dragen.
- 100 Het kan in allerlei verpakkingen gewikkeld worden — Grieks, Latijn of Duits — maar ook in een doorzichtige wikkel waar iedereen doorheen kan kijken.
- 101 Soms wordt de gedachte die erin zit geheel verstoord en is deze niet meer te begrijpen.
- 101 De gedachte komt op: Waarom gaat dit allemaal zo ingewikkeld?
- 101 Tegen dit soort gedachtes verzet Wittgenstein zich.
- 101 Volgens hem zit de betekenis van een woord niet in het woord,
- als een snoepje in papier dat uitgepakt moet worden,
- maar is de betekenis van een woord wat je ermee doet.
- als een snoepje in papier dat uitgepakt moet worden,
- 101 Het is als een stuk gereedschap, dat betekenisloos is tot er wat mee gedaan wordt.
- 101 Een woord uit de context verandert, en heeft geen betekenis, totdat het weer op een unieke manier gebruikt wordt.
- 105 “De bank staat op de bank �  De bank is op de bank
- 105 Zelfs al bedoel je met een woord of uitdrukking iets anders dan het normaal betekent, men zal alleen de normale betekenis uit de uitspraak halen.
501 zin (meerdere woorden) en zin (zingeving)
https://janux.nl/wp/wittgenstein/deel-1/#_Toc204611338
- Wittgenstein wil hiermee niet zeggen dat je een bepaald beeld voor ogen hebt bij een uitspraak, alleen dat dat beeld van geen belang is bij het tot stand komen van begrip, enkel de feitelijke uitspraak die je doet.
- Om een vreemde uitspraak te begrijpen is het niet nuttig om te kijken naar welke beelden de betrokken personen er bij hadden, maar wel om te kijken naar de context, de geschiedenis van de personen.
.
4-4 De grammatica van gewaarworden, voelen en denken
- 107 Voor Wittgenstein is grammatica een set van regels van een taalspel en een grammaticale fout is dan ook niet een ‘dt-fout’, maar een verwarrende manier van spreken waarbij we zonder het te beseffen overstappen van taalspel.
- 108 Wittgenstein wil de grammatica bestuderen van het gebruik van ‘voelen‘ en ‘denken’, niet door uiterst geconcentreerd te kijken naar deze woorden op zichzelf, maar door ze te bestuderen in de stroom van de wereld.
- 108 Met andere woorden: hoe gebruiken we ze?
- 108 Als we het hebben over hoe ‘denken’ werkt, schuiven we al snel een geest ten tonele wanneer een lichamelijke verklaring lastig blijkt.
- 108 Een gedachte zit niet in ons hoofd zoals een man in een huis zit.
- 108 Die man kun je daarin terugvinden, maar een gedachte zit niet in je materiële hoofd.
immaterieel
- 109 Ons denken over lichaam en geest is volgens Wittgenstein eeuwenlang door dit soort denken verward:
- de verwarring van taalspelen.
- 109 Onze taal heeft zich waarschijnlijk ooit ontwikkeld teneinde om te gaan met objecten van een bepaalde (niet te kleine) grootte, en dat zijn we nog steeds niet ontgroeid.
- De geest moet dus wel iets zijn.
272 Rood
https://janux.nl/wp/wittgenstein/deel-1/#_Toc204611321/
281 gewaarwordingen
https://janux.nl/wp/wittgenstein/deel-1/#_Toc204611322
- 124 304 “Maar je zult toch toegeven dat er verschil is tussen pijngedrag met pijn en pijngedrag zonder pijn
- Toegeven? Welk verschil zal groter kunnen zijn!
- En toch kom je telkens weer tot de conclusie dat de gewaarwording een niets is
- ze is geen iets, maar ook geen niets!!!
- De conclusie was alleen dat er niets even goed zou functioneren als een iets waarover niet gezegd kan worden
- We verwierpen alleen de grammatica die zich ons hier wil opdringen
- De paradox verdwijnt slechts dan wanneer we radicaal breken met het idee dat de taal altijd op één manier functioneert, altijd hetzelfde doel dient: gedachten overdragen
- Of die gedachten nu gaan over huizen, pijn, goed en kwaad, of wat dan ook
- We verwierpen alleen de grammatica die zich ons hier wil opdringen
- Maar omdat we altijd alleen een lichaam zien, gaan we ervan uit dat we nooit echt kunnen weten wat iemand denkt en voelt.
4-4-1 Denken
- We kunnen ervaringen nooit vergelijken.
- Denken we.
- De oplossing voor deze problemen zit volgens Wittgenstein niet in een nadere bestudering van denken en voelen, maar in een beschrijving van de manieren waarop we over deze dingen spreken.
- Het probleem zit in de conceptie van een indruk: we denken dat we in ons lichaam zitten en de informatie van de wereld via de gaten van de zintuigen naar binnen krijgen.
- We denken daarbij dat dit voor iedereen anders is.
- Maar we zien hoe vreemd dit idee is als we proberen te bedenken hoe we die indrukken dan binnenin ons lichaam bekijken.
- Er zitten toch geen ogen achter onze ogen?
- De onmogelijkheid die we ervaren om elkaars indrukken te ervaren, duidt niet op een fysieke barrière maar op een grammaticale verwarring.
4-4-2 Hebben
- 112 Een andere grammaticale verwarring ontstaat bij het woord ‘hebben’
- 112 Weer een bezit? Kijk Eens naar andere ” hebbens” en ervaar hoeveel varianten Er zijn op het hebben van een “fiets hebben”:
- Yvonne heeft een man
- een man heeft zijn nadelen
- want elk voor heb ze tegen
- die man heeft een kind
- daar heb je nou zo’n nadeel
- dat kind heeft een puist
- die puist heeft een korst
- die kost heeft een geur
- die geur heeft een moleculaire samenstelling
- en die moleculen hebben voor mij iets onwerkelijks
%%% “heb – soorten”
- Er is geen platonisch idee van hebben, alleen een verscheidenheid aan manieren waarop het gebruikt wordt.
- Maar wanneer de ene soort — zoals het hebben van een kind — verward wordt met het hebben van een andere soort — zoals hoofdpijn — gaat het mis.
- De oplossing is weer om te kijken naar de manier waarop het gebruikt wordt.
4-4-3 Twijfelen
- 113 Wittgenstein laat zien dat dit lastiger wordt gemaakt door het begrip ’twijfelen’.
TO DO : Over zekerheid
- 114 We twijfelen over het gebruik van woorden, maar het is daarbij belangrijk te zien dat de grammatica van twijfelen nauw samenhangt met die van weten.
- 114 Je kunt alleen twijfelen in die situaties waarbij weten ook een optie is: als je iets niet kunt weten is het onzinnig om erover te twijfelen.
- 114 Wittgenstein laat dit zien met een voorbeeld van een hond:
- “Een hond zal nooit huichelen, en daarom kan hij ook nooit oprecht zijn.”
- Daarmee wil hij zeggen dat om oprecht te zijn, je de keuze moet hebben om ook [[11]] onoprecht te zijn, net zoals je de optie moet hebben om iets zeker te weten, om erover te kunnen twijfelen.
- 116 Het gaat er Wittgenstein dus om, dat we ons realiseren dat ‘pijntaal’, het overbrengen van een ervaring van pijn, niet daadwerkelijk iets beschrijft.
%%% solipsisme
- 116 De uitspraak �ik heb pijn� beschrijft niet het eigendom van iets dat pijn is en terug te vinden is ergens, het is pijngedrag.
- 117 De paradox Verdwijnt slechts dan wanneer we radicaal breken met het idee dat de taal altijd op één manier functioneert, altijd hetzelfde doel dient: gedachten overdragen – of die gedachten nu gaan over huizen, pijn, goed en kwaad, of wat dan ook
- 117 Iemand die roept: “Ik word niet goed!” en naar de wc stormt, is niet bezig met het beschrijven van zijn toestand, de uitroep is onderdeel van zijn toestand zelf.
- Kortom, volgens Wittgenstein is taal niet alleen geluid dat over iets gaat.
- Meestal is het onderdeel van de ervaring zelf.
- Met taal worden niet constant vlaggen naar buiten gestoken met berichten over de bewoner van het lichaam.
4-6 Zien
- 118 In het tweede deel van de Filosofische Onderzoekingen leidt Wittgenstein ons rond in het domein van het begrip ‘zien’.
- Zoals voorheen gaat hij ons vooral laten zien op welke uiteenlopende manieren dit begrip wordt gebruikt. Het eerste voorbeeld dat Wittgenstein geeft is het categorische verschil tussen het zien van een object, en het zien van een aspect van dat object.
XI zien – interpreteren
https://janux.nl/wp/wittgenstein/deel-2/#_Toc198382573
- 120 Hoewel het gaat om hetzelfde object, waarin niets veranderd is, zie je het anders bij beide manieren van zien.
- 120 Het beste voorbeeld daarbij is dat van de haas-eend, een afbeelding die zowel als eend, als als haas te zien is. Dit noemt Wittgenstein ‘iets zien als’. Dit is anders dan gewoon zien, het is het zien van een bepaald aspect van een object.
- 120 Het is verleidelijk om de verschillende oordelen “het is een haas� en “nu zie ik het als een haas� te zien als het resultaat van een verandering in de afbeelding zelf, of in je hoofd.
- 120 Dit is het resultaat van een verkeerd idee over zien: je hebt het verkeerde idee dat zien hetzelfde is als het interpreteren van een vliesje van visuele indrukken dat kan worden losgemaakt van de bron.
- De twee oordelen zijn dan twee verschillende ‘innerlijke beelden’ van dit vliesje.
- Dit roept een tweede vraag op: wat is het verschil tussen deze indrukken en de wereld zelf? Dit opent de weg naar een hele reeks krankzinnige vragen.
- Dit wordt veroorzaakt door een grammaticale verwarring van ‘iets zien’ en ‘iets zien
- 238 AV “Wat ik in feite ziemoet toch dat zijn wat in mei onder invloed van het object tot stand komt�
- Wat in mei tot stand komt is dan een soort evenbeeld, iets dat je zelfs weer zou kunnen bekijken, voor je zou kunnen hebben;
- bijna zoiets als een materialisatie
- Wat in mei tot stand komt is dan een soort evenbeeld, iets dat je zelfs weer zou kunnen bekijken, voor je zou kunnen hebben;
- Wittgenstein wil hiermee het punt maken dat het echte zien en de interpretatie van dit zien, elkaar grotendeels overlappen.
- Hij wil natuurlijk niet het echte zien beschrijven (dat bestaat niet), maar enkel de vele verschijningsvormen behandelen.
- Daarin komt steeds het idee terug dat het geestelijke leven van de mens zich achter, onder, boven of in he lichaam afspeelt, maar waarbij er altijd scheiding bestaat tussen lichaam en geest
- Deze verwarring ontstaat door het idee dat psychologische begrippen zoals bedoelen, begrijpen, denken en verwachten, dingen zijn waar je bij een ander nooit bij kunt.
- Maar Wittgenstein wil duidelijk maken dat deze dingen nooit verborgen zijn.
Â
4-7 Filosofie = afleren
- 126 Volgens Wittgenstein levert filosofie in zekere zin niets op, maar leert het ons alleen bepaalde dingen af.
- 126 Onze neiging te generaliseren: koester de verschillen!
- 126 Betekenis is niet te destilleren uit uitspraken: begrippen hebben hun wortels in handelen.
- 127 Het geestelijke leven is ontoegankelijk: we kunnen aan de buitkant zien wat zich aan de binnenkant afspeelt, waarnemen is geen ondefinieerbare nadere beschouwing van indrukken die de wereld ons via de zintuigen toezendt.
- 127 Filosofie kan niet afdwingen hoe het moet: enkel vaststellen hoe het is.
- 127 Voor Wittgenstein komt veel filosofie voort uit de verwarring van deze zaken.
- 127 Hiermee laat hij ook zien wat er gebeurt
- als ruimtelijke metaforen als ‘binnen’ en ‘buiten’ verward worden betoverd door het idee dat de ziel in het lichaam zit,
- en er dus ook buiten gedacht kan worden.
- Als voorbeeld:
- De man zat
- in 2001
- in zijn eerste huwelijk
- in huis
- In Utrecht
- in zijn stoel
- in gedachten aan zijn vrouw
- die In de zuivelindustrie werkte
- 128 Deze grammaticale verwarring is volgens Wittgenstein verantwoordelijk voor een hoop filosofische narigheid.
- Als voorbeeld: